Dit is een site voor studenten van de Open Universiteit. Voordat je een vraag kunt stellen moet je even een account aanmaken (dit systeem is niet gekoppeld aan je OU studentnummer en wachtwoord).

Welkom bij het vraag- en antwoord systeem van de onderzoeks-practica van de studie psychologie bij de Open Universiteit.

Houd er, als je een vraag stelt, rekening mee dat je de richtlijnen volgt!

Hoe intern valide is het experiment van Loftus werkelijk?

0 leuk 0 niet-leuks
In studietaak 2.1 van Onderzoekspracticum Psychologisch Experiment  wordt het experiment van Loftus 1979 over de invloed van onbewuste geheugenschema’s op het onthouden van teksten beschreven. In de terugkoppeling van  opdracht 2.1.2 vraag 3 wordt geconcludeerd dat de interne validiteit mogelijk alleen bedreigd wordt door een tussentijds voorval zoals een tv-programma of film. Ik denk echter dat de interne validiteit van het onderzoek ook bedreigd zou kunnen worden door een ander fenomeen dat in de discussie niet aan de orde komt.

Ik denk dat het schema dictator bij de meeste mensen gekoppeld is aan het schema Hitler. Als je mensen op straat zou vragen om de naam van een dictator te noemen, denk ik dat Hitler het meest genoemd wordt. Als proefpersonen een tekst lezen over een onbekende dictator met de naam Gerald Martin wordt de koppeling met Hitler als dictator geïnhibeerd. Het gaat hier immers niet om de aan ‘het schema ‘dictator’ gekoppelde schema ‘Hitler’ maar  om een onbekende dictator. Er wordt mogelijk een nieuw schema aangemaakt: het Niet-Hitler-schema. De tekst gaat over een dictator; maar het is niet Hitler.

Als proefpersonen met de tekst over Gerald Martin de zin met Joden te zien krijgen, wordt deze er door hen dan ook snel uitgefilterd als zijnde anders. Het concept Jodenvervolging is sterk gerelateerd aan Hitler en valt dus op als afwijkend. Een zin over Joden is dan ook een vreemde eend in de bijt in een tekst over een onbekende dictator met de naam Gerald Martin. De laatste mag dan een dictator zijn, maar bij het woord Joden popt meteen Hitler op. Hitler was in de beeldvorming van Gerald Martin geinhibeerd, en daarmee de associatie met Joden ook. Dat de kandidaten die de tekst met Gerald Martin hebben gelezen de fout met de zin over Hitler minder maken, kan er dus ook mee te maken hebben dat ze het woord Joden niet bij de onbekende dictator vinden passen.  In dat geval heeft het niet te maken met het effect onbewuste geheugenschema’s op het onthouden de tekst, maar uit logische redenatie en uitsluiting. Voor de kandidaten die de tekst over Hitler hebben gelezen hebben past het concept wel in hun bestaande schema, waardoor ze deze redenatie niet kunnen maken.

Er ontbreekt mijns inziens in het onderzoek een controleconditie waarbij er wordt gesproken over een dictator, zonder dat daarbij zijn naam (Martin of Hitler) expliciet wordt onthuld. Omdat het daarbij over zowel Hitler als een andere dictator zou kunnen gaan kan het zijn dat er bij deze nieuwe controlegroep ook meer fouten zouden worden gemaakt bij het lezen van de zin over Joden (of juist niet). Het onderzoek van Dooling en Christiaansen 1977 dat later wordt genoemd in de tekst, biedt dus meer informatie. Alleen is dat niet het onderzoek waar genoemde vraag 3 naar verwijst.

Wat denken jullie over deze gedachtegang?
gevraagd 19 oktober 2015 in Psychologisch Experiment (PE) door Frank van Marwijk (1,020 punten)

1 Antwoord

0 leuk 0 niet-leuks
Deze vraag zie ik nu pas, sorry!

Ik ben het met je eens. Er zijn bedenkingen te plaatsen bij de interne validiteit van dit onderzoek.

Goed dat je dit hebt bedacht!!!

Mocht je nog een onderwerp zoeken voor je MT, dan heb je die dus bij deze :-)
beantwoord 29 juli 2016 door Gjalt-Jorn Peters (46,250 punten)
Goed om te horen! Dank je wel!
...